Ana Torfs houdt van teksten - nee, ik bedoel niet literatuur, maar teksten. Ze houdt van documenten, van restteksten, van bewijsmateriaal, van teksten als een spoor (...). Ze houdt van teksten die niet door literatuur, door een auteur gevuld werden met betekenis en stijl.
Ze houdt van de ongestileerde officiële tekst en van de extreem inofficiële notitie. Van teksten met een voix blanche geschreven. Een procestekst (Jeanne d’Arc), of de conversatieschriften waarmee een beroemd romantisch componist (Beethoven), doof geworden, de vragen en antwoorden ontving die men hem dagelijks tientallen keren moest toeschuiven voor van alles en nog wat. (...)
Functionele documenten - taal als werktuig, om een veroordeling te bekomen, om waarheid te achterhalen, om het weer, het brood en de wijn, een nieuwe huishoudster en een zelfmoordpoging te bespreken. (...) Hoe het geheim van deze teksten grijpen en tegelijk als geheim bewaren? Hoe laten zien dat het banale het allergrootste geheim is.
Teksten die niemand ‘graag’ leest, die je moet onderzoeken, ontcijferen of - zoals in deze eerste bioscoopfilm van Ana Torfs - als taalmachines moet laten werken: ‘Kijk, dit is er geschreven/gezegd in Wenen in 1826.’
Geciteerd uit ‘Beethoven buiten beeld’, Dirk Lauwaert in Muziek en Woord, mei 1998.
Hoewel Ana Torfs’ œuvre niet met een bepaald medium te associëren valt, moet ik bij het overschouwen ervan wel spontaan aan een beeldgenre denken: het portret. Een menselijk gelaat is vaak het enige wat je te zien krijgt, of mensen zitten aan een tafel of poseren in een groepje... Het genre wordt niet alleen liefdevol beoefend, maar ook telkens opnieuw geproblematiseerd. (…)
Hoeveel, maar vooral: hoe weinig staat er op een gezicht te lezen?
Voor ‘Zyklus von Kleinigkeiten’ (1998), een film over de laatste levensjaren van Beethoven, baseerde Ana Torfs zich op een van de weinige directe bronnen die over de componist voorhanden zijn: de schriftjes, door vrienden en kennissen gebruikt om met de doof geworden Beethoven te communiceren. Voor de film werd voornamelijk een beroep gedaan op niet-professionele acteurs. De beelden zijn in zwart-wit, de acteurs spreken niet. Hun opdracht schijnt zelfs te zijn geweest vooral ook niet te spelen. Af en toe een flauwe glimlach, een neiging van het hoofd, een blik van verstandhouding, meer geven zij niet ten beste. Fragmenten uit de conversatieschriftjes worden door off-stemmen gelezen. Als toeschouwer speur je de gezichten af op zoek naar méér: duiding, verhaal, emoties, maar de personages - in de conventionele film toch zo zorgvuldig voor ons getypeerd - trekken aan ons voorbij zonder dat we vat op hen krijgen, en rijgen in stilte slechts ‘kleinigheden’ aaneen: een snoer van dagelijkse beslommeringen, tot de meest prozaïsche toe.
De eenzaamheid en ontreddering, de achterdocht van de dove slaan op de kijker over, we vermoeden verschrikkelijke spanningen met de jonge neef die bij hem inwoont, maar komen er nooit het fijne van te weten. Beethoven zelf komt niet in beeld. Aangezien hij wèl gewoon zijn stem kon gebruiken, komt hij immers niet in de conversatieschriftjes voor. Beethoven ‘is’ er alleen via de anderen, in enkele van zijn boutades en in de prachtige muziekfragmenten bij de natuuropnamen tussen de scènes door. Het ene past niet in het andere, er wordt geen beeld gevormd - een onmogelijk portret.
Geciteerd uit ‘Impossible Portraits’ (Onmogelijke portretten), Catherine Robberechts in Uncertain Signs/True Stories, catalogus uitgegeven door Badischer Kunstverein, Karlsruhe, 2002. De volledige tekst kan geconsulteerd worden via volgende link http://www.kunstonline.info. |
Ana Torfs loves texts. No, I do not mean literature, but texts. She loves documents, residual texts, pieces of evidence, text as a trace (...). She loves texts that weren’t bestowed with style and meaning by literature or by some author. She loves the uncomposed official text and extremely unofficial notes. Texts that were written with a voix blanche. A trial text (Joan of Arc), or Beethoven’s conversation booklets through which the famous Romantic composer, grown deaf, received the questions and answers that were slid across to him dozens of times a day for various reasons. (...)
Functional documents - language as a tool, to obtain a judgment, to catch out the truth, to discuss the weather, bread and wine, a new housekeeper or an attempted suicide. How to grasp its secret, and preserve it at the same time. How to show that the trivial is the biggest secret of all.
Texts that nobody “likes” to read, texts demanding investigation, unscrambling, or - as is the case in Ana Torfs’ first feature film - operating as language machines: “Look, this was written/said in Vienna in 1826.”
Quoted from “Beethoven off-screen”, Dirk Lauwaert in Muziek en Woord, May 1998.
Although Ana Torfs’ work is not associated with any specific medium, viewing it put me in mind of a specific pictorial genre, namely the portrait. In many cases, all that you get to see is a human face, or people sitting at a table or posing in a small group. Not only is the genre lovingly practised, it is also systematically problematized. (...)
How much, and more importantly, how little can be read in a face...
Ana Torfs took her cue for Zyklus von Kleinigkeiten (Cycle of Trifles, 1998), a film about Beethoven’s final years, from one of the few direct sources we have about that period of his life - the little notes written by his friends and acquaintances to communicate with the by now deaf composer. The film was largely made with non-professional actors. The images are in black and white and the actors don’t speak. They were even told, it would seem, to avoid acting at all cost. From time to time, we see a thin smile, a tip of the head or an understanding glance, but that’s as far as it goes. Fragments from the written conversations are read out by off-screen voices. As you watch, you scrutinise the faces in search of more: interpretation, narrative or emotion. Yet the characters - which are so carefully sketched out for us in a conventional movie - pass before us without our being able to get hold of them, silently stringing together a series of trivia to create a chain of everyday concerns of the most prosaic kind.
The loneliness, desperation and wariness of the deaf man are transmitted on to the viewer. We sense great tension with the young nephew who lives with him, but never find out the details. Beethoven himself never appears. After all, he could talk and so does not feature in the exchanged notes. Beethoven exists entirely through the others, in a few of his witticisms and in the marvellous fragments of music that accompany the nature shots between the scenes. The one does not fit into the other, nor is any image formed. It is an impossible portrait.
Quoted from “Impossibible Portraits”, Catherine
Robberechts in Uncertain Signs/True Stories, catalogue published by Badischer Kunstverein, Karlsruhe, 2002. The full text can be consulted on URL <http://www.kunstonline.info>.
|