Gert Robijns |
|
Gert Robijns (°1972) concipieert zijn werk, eerder dan als een spiegel of een voorstelling van de werkelijkheid, als een uitbreiding of extensie ervan. Robijns werkt met minimale signalen om een perifere versnippering van onze aandacht te genereren. Omgekeerd durft Robijns die signalen ook te verpakken in het uitgebreidere veld van de installatie. In 1997 legde hij een buitenlandschap in polystyreenkorrels (piepschuim) aan dat afgezoomd werd door de grenzen van een bestaand tennisveld. Het landschap werd overdekt met een transparant plastic zadeldak, op de bodem ervan tussen het dikke pak korrels stonden ventilatoren opgesteld die het gebied blootstelden aan continue, natuurlijke en kunstmatige verschuivingen. Het werk plaatste zijn toeschouwers in een andere tijd waar, in het spel van echte en nagebootste wind, vertragingen leken op te treden als slow motion. Robijns stelt de ruimte van onze waarneming scherper door beelden of geluiden als pixels aan het natuurlijke diepte- of echobereik van een kamer of werkelijkheid toe te voegen. In die enhanced space ontstaat een relatienetwerk dat zich als een scan van een intentionele ruimte op- en ontvouwt. ‘Gordijn’ bestaat uit een videoprojectie van een gefilmd gordijn op een gordijn in een 1 op 1 verhouding. De projectie creëert de illusie dat de wind af en toe met de stof speelt door een openstaand of openwaaiend raam. Op een tempo dat bepaald wordt door het briesje zijn straatgeluiden hoorbaar, of geluiden vanop andere verdiepingen, kletterend vaatwerk en nu en dan een overvliegend vliegtuig. Een auditieve loop triggert in ‘Gordijn’ een herinnering of een belevenis. Recent ging hij met een aantal werken van de collectie in het Museum voor Hedendaagse Kunst te Antwerpen op vergelijkbare wijze aan de slag, door stukken uit de collectie in grijswaarden op ware grootte te reproduceren. Een biljarttafel, een bingokast en een aantal foto’s en video’s van Robijns sprongen zo naar voor op een doorslag van kopieën van o.a. een schilderij van Bernard Frieze, een triptiek van Ettore Spaletti en een tafel met druppelvormige lenzen van Hermann Pitz. Zoals muzak een aantal belangrijke involverende frequenties uitschakelt om het mikpunt van de klank van ons emotioneel naar ons psycho-motorisch centrum te verleggen, knipte Robijns de boven- en ondertonen weg uit de werken zonder ze echt afwezig te maken. Het museum werd in standby gezet, de ideologische bijklanken van haar ruimte werden weggehaald om te focussen op een reactualisering van betekenaars. |
Rather than mirroring or representing reality, Gert Robijns’ (°1972) works are conceived as extensions of it. Robijns operates with a minimum of signals that can be sounds but equally a change in temperature, a gust of wind or a flickering light bulb, to generate a peripheral snippet of our attention. Notwithstanding their minimal enunciative potential, Robijns transposes these signals into extensive installations. In 1997 he laid out an outdoor landscape made up of polystyrene beads hemmed in by the boundaries of an existing tennis court and covered with a transparent plastic roof. On the ground between the thick layers of beads, ventilators blew the beads, occasionally exposing the terrain and placing its viewers in another time where, between the play of natural and artificial wind, any deceleration became a performance in slow motion. Robijns is focusing and scattering our perceptions by adding sounds or images to a space like pixels fill in the digital realm. In that enhanced space a network of triggers unfolds like an index of space, time and subjectivity. Another work, “Curtain,” is a video of a curtain projected onto a curtain in a 1:1 ratio. The video creates the illusion of wind occasionally rustling the fabric, as if from an open window, while an audio loop of incidental noises that are brought in by the imaginary wind triggers recollected experience. Recently Robijns took on a number of works from the Antwerp Museum of Contemporary Art (MuHKA) in a comparable way, reproducing works of the collection in life-size grayscale. A billiard table, a bingo pinball, and a number of Robijns’ photographs and videos stand out on carbon copies of a painting by Bernard Frieze, a triptych by Ettore Spaletti, and a table by Hermann Pitz. Like muzak, where a number of frequencies are eliminated from sound to divert or direct our emotions, Robijns cuts the over- and undertones from the works without ever really making them absent. The museum is put on standby, the added ideological echoes of its space tuned down in order to focus on a potentially new reification of signifiers.
|
|
|