Guy Mees |
|
Het werk van Guy Mees is vooral bekend om zijn “Verloren Ruimtes”: ze komen tweemaal voor in de artistieke loopbaan, eenmaal vooraan de jaren 1960 als ultraviolet-neonlichtbakken overspannen met witte kant die opgehangen worden aan de muur of vrij opgesteld staan in de ruimte. Een tweede maal midden jaren 1980 komt Mees naar buiten met een variant in uitgesneden papierstroken die rechtstreeks op de muur gepind worden. Mees verschijnt aan de aftrap eind jaren 1950 en begin 1960 met een reeks zwarte en onmiddellijk daarop witte schilderijen, maar komt al snel los van de symbolische connotaties van de schilderkunstige tradities (het wit en het zwart, en de universalistische aanspraken van de moderne schilderkunst) door in de witte, met kant overspannen vlakken ultraviolet neonlicht aan te brengen. De werken ogen opvallend frivool, en staan opgesteld in de ruimte als stille verleiders. De schijnbaar abstract sensuele vormen van de vroegere werken worden in de recente reeksen “Imaginaire Balletten” uit hun schijnbare onschuld gelicht: rokjes, jurkjes en slipjes maken hun opwachting aan de wand in verschillende lagen papier en lijken de vormelijk abstracte sensualiseringen van de papieren “Verloren Ruimtes” in een meer concrete richting te duwen. Het oeuvre kan samengeteld nog moeilijk als een ernstig antwoord op een modernistische probleemstelling bekeken worden. Het plooit zich opvallend makkelijk naar hedendaagse opvattingen over kunst en is aan een herwaardering toe die deel uitmaakt van het continu herschrijven van onze eigen opvattingen over kunst. Ze is te danken aan Mees’ weinig spectaculaire, maar ingrijpende voorsprong op het werk van zijn tijdgenoten in vergelijking waarmee het werk de ernst, de soevereiniteit of autonomie van het moderne beeld ontbeert. Mees onderwerpt de schilderkunst aan een travestie, omdat hij niet geïnteresseerd is in het ontmaskeren van het schilderen, maar net vanuit de inkleding van de omgeving deelneemt aan een sensualisering van de ruimte zelf. Het effect op de vormelijke kwaliteiten van het schilderij is daarbij anders dan het effect op de ruimte en de toeschouwer die zich daarin beweegt. Het is vanuit die laatste optiek dat we het werk van Mees moeten inschatten. |
Guy Mees is best known for his ‘Lost Spaces’, which date from two periods of his artistic career. In the early 1960s, he produced a series of works consisting of ultraviolet neon lights covered with white lace, which were hung on the wall or stood on the floor. He returned to the theme in the mid-1980s, with a variant consisting of cut-out strips of paper pinned directly on the wall. Both variants introduce a sensualization of space through the use of lace and soft neon light, and later through the choreographing of vulnerable, coloured strips of paper. He also applies this sensual touch directly to the space by painting its plinths in soft or elementary colours. Mees debuted in the late 1950s, early 1960s with a series of black paintings, followed immediately by white ones. However, he quickly turned his back on the symbolic connotations of painterly tradition (the white and the black, and the universalist claims of modern painting) by introducing ultraviolet neon light into his white surfaces, covered with lace. The works appear strikingly frivolous and are arranged in space like silent seducers. The seemingly abstract sensual form of the earlier works is lifted out of its ostensible innocence in the recent series ‘Imaginary Ballets’, in which short skirts, dresses and panties are presented on the wall among various layers of paper, while the formally abstract sensualization of the paper ‘Lost Spaces’ appears to have been pushed in a more concrete direction. |
|
|