Joost Conijn |
|
Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl De dag begint met het bakken van een eitje. Vandaag maakt Soelayman omelet met stukjes vis. Hawwa bouwt een dammetje in het moeras. Dzoel-kifl staat vastgezogen in de blubber. Abdallah beproeft de binnenband van zijn fiets in een kruiwagen met ijskoud water. Hij neemt een slok cola en dan een hap sneeuw. Moestafa heeft al een ronde over het terrein gemaakt. Er zijn grote bergen zand gestort. Zo dadelijk gaan ze er op af. Siddieqa, Firdaus, Abadallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa en Dzoel-kifl zijn zeven kinderen uit een autochtoon Nederlands gezin dat leeft naar de leer van de Islam. De jongste is drie, de oudste veertien jaar oud. Ze wonen aan de rand van een gekraakt haventerrein onder de rook van Amsterdam. De film volgt de kinderen bij hun verkenningen van het ruige gebied dat bouwrijp wordt gemaakt voor oprukkende bedrijfspanden. Elke dag ondernemen de wolfskinderen een onnavolgbare ontdekkingstocht. Ze maken hutten, strippen een caravan, vinden een boom. Op een dag trekken ze er op uit om een bezoek te brengen aan de snoep- en worstschappen van de benzinepomp, het eerste station van de beschaving. Joost Conijn (Amsterdam, 1971) maakte naam met ‘Vliegtuig’ (2000, DVD, 25’). Na in een hangar op het ADM-terrein een vliegtuig te hebben gebouwd, vertrekt Conijn met de kist achter de auto naar de Marokkaanse woestijn. Hij vindt tegenslagen op zijn weg, krijgt motorpech en belandt in een zandstorm. Maar uiteindelijk krijgt hij het vliegtuig los van de grond en maakt de langverwachte vlucht. In ‘Auto op dak’ (1996), C’est une Hek’ (1997) en ‘Vliegtuig’ (2000) ligt de focus vooral op de techniek en de notie van het verplaatsen. In ‘Hout Auto (2002) en ‘Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl’ (2004) richt de blik zich naar mensen en culturen die dicht bij de beginselen van het bestaan lijken te staan. De beeldtaal is eenvoudig en scherpzinnig. Uit alles spreekt een grote autonome gedrevenheid: intens leven, alles geven. |
Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl The day begins with frying an egg. Today Soelayman ads bits of fish. Hawwa is building a dam in the marshes. Dzoel-kifl is sinking into the mud. Meanwhile Abdallah tests the inner tube of his bicycle tyre in a wheelbarrow filled with ice cold water. He takes a swig of lukewarm Coke together with a bite of snow. Moestafa has already taken a look around the site. Some big mounds of sand have been dumped near the lake. They are gonna to explore them right after breakfast. Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, and Dzoel-kifl are the seven children of a native dutch family that lives according to the Islam. The youngest is three, the oldest fourteen. They reside under the smoke of Amsterdam on the fringes of a squatted dockland site. The film follows the children as they explore the rough terrain that is being converted into commercial properties. Each day, the children undertake another voyage of exploration. They build huts, strip a caravan, find a tree. One day, they set off to visit the shelves with sweets and snacks at the local petrol station, the nearest outpost of civilisation. The children grow up in great freedom, undisturbed by the conventions of the social manifesto. They are uninhibited in their play, inventive in finding their way. But set against their autonomy, there is a real danger of exclusion. More than a critical reflection upon autonomy, the film is an ode to the poetry of the wayward inimitability. Joost Conijn made his name in 2000 with Vliegtuig (Airplane, 2000, DVD, 25’). After building an aeroplane in a big hangar at the ADM site, Conijn sets off to drive to the Moroccan desert towing the plane behind his car. After many setbacks he finally makes the long awaited flight. |
|
|